Bevoegheden
Een leraar in het voortgezet onderwijs moet voor het vak waarin die lesgeeft een diploma hebben van de lerarenopleiding voor één van de twee te onderscheiden gebieden:
- de tweedegraads lerarenopleiding: voor het vmbo, de eerste drie leerjaren havo en vwo, het praktijkonderwijs en beroepsonderwijs en volwasseneducatie (het gebied vo/bve);
- de eerstegraads lerarenopleiding: voor de bovenbouw havo en vwo (het gebied vho).
Deze regel geldt voor alle vakken, dus ook voor maatschappijleer. Docenten maatschappijleer met een eerste- of tweedegraads bevoegdheid mogen ook maatschappijkunde geven. Docenten maatschappijleer met een eerstegraads bevoegdheid zijn ook bevoegd voor maatschappijwetenschappen. Maatschappijwetenschappen en maatschappijkunde hebben geen aparte bevoegdheidsregeling.
Vak M&M
Sommige scholen bieden in de onderbouw het leergebied mens en maatschappij (M&M) geïntegreerd, als één vak, aan. Dan worden de vakken aardrijkskunde, geschiedenis en economie samengevoegd, die wettelijk gezien als toeleverancier van dit leergebied gelden. Docenten met een bevoegdheid maatschappijleer die hun bevoegdheid voor 1 augustus 2006 hebben gehaald, zijn bevoegd om dit geïntegreerde vak, onder voorwaarden, te geven. Zie voor meer informatie het Handboek Onderwijsbevoegdheden. Met een bevoegdheid maatschappijleer die na 1 augustus 2006 gehaald is, mag een leraar alleen M&M geven als lid van een team dat naast deze leraar bestaat uit bevoegde leraren aardrijkskunde, geschiedenis en economie. Zie opnieuw het Handboek Onderwijsbevoegdheden.
Onbevoegden voor de klas
Een middelbare school mag een docent van een ander vak maximaal twee jaar maatschappijleer laten geven, op voorwaarde dat hij of zij scholing gaat volgen om binnen twee jaar alsnog de juiste bevoegdheid te halen. Zie het Handboek Onderwijsbevoegdheden.
Bevoegdheid voor burgerschap op mbo?
Voor het mbo is in de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) de regeling voor de onderwijsbevoegdheden afgeschaft. Je leest hier meer over in het Handboek Onderwijsbevoegdheden. Er is dus geen koppeling tussen een bevoegdheid maatschappijleer en het vak burgerschap, maar Nederlands hoeft op het mbo ook niet te worden gegeven door een bevoegde leraar Nederlands. Een diploma van een lerarenopleiding of een getuigschrift pedagogisch-didactische scholing (PDG) in combinatie met een diploma hoger of wetenschappelijk onderwijs dan wel tenminste 3 jaar ervaring in de praktijk van het beroep is voldoende om te mogen lesgeven op het mbo. Een bevoegde leraar Nederlands mag dus op het mbo ook burgerschap geven. Een verpleegkundige die HBO-V heeft gedaan en een getuigschrift pedagogisch-didactische scholing heeft mag ook burgerschap geven. Vanaf 1 augustus 2027 verandert dit. Vanaf dat moment zullen voor docenten die burgerschap geven uniforme opleidingseisen gelden. Naar verwachting is een bevoegdheid maatschappijleer (meer dan) voldoende om aan die eisen te voldoen. Docenten die geen verwante lerarenopleiding hebben gevolgd zullen een aanvullende scholing moeten doen om burgerschap mogen te geven. Daarover lees je meer in dit adviesrapport.
Historische ontwikkeling voor het vo
Getuigschrift hoger onderwijs, vanaf 1 augustus 2006
Vanaf 1 augustus 2006 (inwerkingtreding van de Wet op de Beroepen in het Onderwijs) geldt dat leraren maatschappijleer bevoegd zijn als zij een getuigschrift hoger onderwijs van een lerarenopleiding maatschappijleer hebben. Hieruit blijkt dat zij aan de bekwaamheidseisen voldoen. Leraren die voor deze datum een bevoegdheid hebben behaald, behielden hun bevoegdheid.
Bevoegdheidsregeling sinds 1981
Maatschappijleer heeft sinds 1 augustus 1981 een definitieve bevoegdheidregeling. Sindsdien kun je alleen een bevoegdheid maatschappijleer halen door een lerarenopleiding maatschappijleer te volgen en met goed gevolg af te ronden.
Tijdelijke regeling tussen 1968-1981
In de periode van 1 augustus 1968 (de invoering van het vak) tot 1 augustus 1981 bestond er een tijdelijke regeling, omdat er niet direct voldoende leraren maatschappijleer beschikbaar waren. In die periode werd door bijvoorbeeld leraren geschiedenis en godsdienst ook maatschappijleer gegeven. Bij de invoering van de definitieve bevoegdheidsregeling in 1981 heeft een deel van deze docenten zijn bevoegheid behouden op grond van een zogenaamde 114-verklaring.
Aan degene die tot 1 augustus 1981 bevoegd werd geacht voor maatschappijleer en die na 1 augustus 1968 (maar voor 1 augustus 1981) twee schooljaren maatschappijleer had gegeven, werd op zijn verzoek een 114-verklaring uitgereikt. Met deze verklaring bleef hij of zij ook na 1 augustus 1981 de bevoegdheid behouden voor deze vakken. Ook andere leraren konden voor een verklaring in aanmerking komen onder nauwer omschreven voorwaarden: een verzoek van het bestuur van de school, daadwerkelijk belast zijn met lessen in het betrokken vak, gunstig advies van de inspecteur belast met het toezicht op de school.
Daarnaast is in 1981 besloten dat aan de akten MO(-B) geschiedenis, aardrijkskunde, staatshuishoudkunde en statistiek en pedagogiek zonder verdere voorwaarden een eerstegraads onderwijsbevoegdheid verbonden werd voor het vak maatschappijleer, indien de akte vóór 1 augustus 1982 was behaald. Een groot deel van deze docenten had al eerder een 114-verklaring aangevraagd. Een ander deel van deze docenten wilde geen bevoegdheid maatschappijleer, maar kreeg deze automatisch toegewezen. In 1987 konden zij deze 'slapende bevoegdheid' inleveren. Velen hebben dat gedaan.
Samenvattend
- Een docent is bevoegd maatschappijleer te geven als hij of zij een getuigschrift hoger onderwijs van een lerarenopleiding maatschappijleer kan overleggen.
- Een docent is ook bevoegd maatschappijleer te geven als hij of zij in 1981 een 114-verklaring heeft gekregen, en deze kan overleggen.
- Een docent kan ook nog een bevoegdheid maatschappijleer hebben als hij of zij voor 1 augustus 1982 een MO(-B) akte geschiedenis, aardrijkskunde, staatshuishoudkunde en statistiek en pedagogiek heeft gekregen. (En als hij of zij de slapende bevoegdheid niet heeft ingeleverd.)
Docenten met een bevoegdheid voor een ander vak zijn niet benoembaar voor maatschappijleer. Hierop kan voor maximaal twee jaar een uitzondering worden gemaakt, mits de leraar scholing gaat volgen om binnen twee jaar alsnog de bevoegdheid maatschappijleer te halen.
Bronnen:
- website Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- diverse Kamerstukken uit de periode 1981-1989